Fout
  • Fout bij het laden van feeddata

Bedum

 


Algemeen

Het dorp Bedum is vermoedelijk ontstaan in de karolingische tijd. In de hoge Middeleeuwen werd het de bedevaartplaats naar de graven van Walfridus en zijn zoon Radfridus, die aan het eind van de tiende eeuw door de Noormannen waren vermoord. Voor deze martelaren werden twee kerken gebouwd: de Walfriduskerk en de Radfriduskapel. De laatste werd in 1934 opgegraven aan de huidige Kapelstraat (ten westen van het Boterdiep noordzijde). De stichting van de Walfriduskerk kan in verband worden gebracht met de plechtige herbegraving van de resten van Walfridus in het tweede kwart van de elfde eeuw. De dorpsbebouwing lag oorspronkelijk op een wierde, maar verplaatste zich in de late Middeleeuwen naar de in de dertiende eeuw opgeworpen Oude Dijk. Na het graven van het Boterdiep in 1653 kreeg Bedum een goede verbinding met de stad Groningen en de Ommelanden en verplaatste het economisch zwaartepunt van het dorp zich enigszins westwaards. De gunstige verkeersligging trok relatief veel bedrijvigheid aan, die door de aanleg van de spoorlijn Groningen – Delfzijl (1884) nog werd versterkt ten koste van het noordelijker gelegen Onderdendam. Door de vestiging van de coöperatieve zuivelfabriek (1921) nam de werkgelegenheid toe. Aan de noordwestzijde van het dorp werd van 1914 tot 1940 in fases het uitbreidingsplan Nieuw-Bedum verwezenlijkt. Na de Tweede Wereldoorlog heeft het dorp zich vooral in zuidoostelijke richting uitgebreid.

Exterieur
De rijke bouwgeschiedenis van de kerk (Plantsoen 11) laat zich gemakkelijk lezen. Het gebouw is gesierd met veel littekens die duiden op afbraak, uitbreiding en aanpassing. In de kerk zijn meerdere bouwstijlen te ontdekken. De kerk is één van de interessantste in de omgeving. Het gebouw stak in zijn gloriedagen qua omvang de stadskerken van Groningen en ook Leeuwarden naar de kroon. Het begon met Walfridus en zijn zoon Radfridus. Beiden hadden een voorbeeldige christelijke levenswijze en waren plaatselijke pioniers van het jonge christendom. Walfridus bracht de woeste gronden ten noorden van Groningen in cultuur. Ze leefden rond het jaar 1000 en werden als martelaren, door de Noormannen gedood, net op het moment dat Walfridus aan het bidden was. Op hun beide graven werden twee houten kerkjes gebouwd. De Radfriduskapel stond tot ongeveer de zeventiende eeuw in de huidige Kapelstraat te Bedum en de Walfriduskapel op de huidige locatie van de hervormde kerk. Er kwamen veel pelgrims van heinde en ver op de beide graven af om de beide martelaren te vereren en om van hun ziekten te genezen. Bedum werd als gevolg daarvan een belangrijke bedevaartsplaats. De houten Walfriduskapel kon het grote aantal bezoekers niet bergen. In de elfde eeuw is met financiële steun van de bedevaartgangers de bouw gestart van het eerste stenen kerkgebouw. Het gebouw werd deels uit tufsteen opgetrokken. Tufsteen was afkomstig uit het Eiffelgebergte in Duitsland. Door de bisschop van Munster werd de kerk ingewijd en werd Walfridus heilig verklaard. Zijn gebeente werd in een reliekengraf binnen de kerk herbegraven. Het was vermoedelijk een zaalkerk geweest, in Romaanse stijl. In de loop van 1225 werd een driebeukige kruiskerk van tufsteen voorzien van toren met zijvleugels gebouwd, in romano-gotische stijl. De kerk had toen een koor met halfronde eindmuur, een dwarsschip en een middenschip met smalle zijbeuken. Delen hiervan zijn nog steeds terug te vinden. Omstreeks 1275 vond al weer een verbouwing plaats. Hierna werd het koor vervangen door een bakstenen recht koor. De lichtbeuk met kleine vensters werd met stenen koepels overwelfd en kreeg grotere vensters. In de westgevel kwam een venster met een merkwaardig klaverbladvorm dat later weer werd gedicht. In 1484 werd het kerkschip vergroot met de bouw van een zuiderzijbeuk. Bijzonder voor Groningen is de zandstenen ingangspartij met de flamboyante tracering in de venstertop. Vermoedelijk tussen 1536 en 1564 (zie onderstaande tekening) kwam een omvangrijk hoogkoor met kooromgang, in laat-gotischestijl tot stand. Het hoogkoor stak ver uit boven het schip van de kerk. De tegenwoordige oostmuur was de westmuur van het koor. De kerk werd een driebeukige kruisbasiliek van grote allure. Ondanks de kostbare en grote uitbreiding van de kerk tijdens de zestiende eeuw boette zijn functie als bedevaartskerk langzaam aan betekenis in. Vanaf 1594 verloor de kerk als gevolg van de veldwinnende hervorming zijn traditionele functie als pelgrimskerk. Heiligenverering en pelgrimage werden beschouwd als `paapse superstitiën` Daardoor raakte ook het gebouw in verval. Het verval de kerk ging maar door en het had niet veel gescheeld of de kerk was afgebroken geweest. In 1860 werd na instorting van een gewelf de gehele overdekking afgebroken, inclusief bogen. Rond 1880 besloot het kerkbestuur tot sloop van de zeer ernstig in verval geraakte kerk. Uiteindelijk volgde er een provisorische restauratie. Daarbij werd er niet erg naar de rijke historie van het gebouw gekeken. Zo verdween het complete interieur en werd het schip van de kerk bijna onherstelbaar verminkt. Vervolgens werden naar ontwerp van architect J. Maris uit Groningen, het middenschip en de zuidelijke zijbeuk samengevoegd tot één ruimte. Het dwarsschip werd van de kerkzaal gescheiden door een glaspui met gietijzeren roeden en traceringen in neogotische trant. De kerkbanken stonden in een gebogen lijn rondom de kansel. In 1985 werd een eerste archeologisch onderzoek ingesteld ten oosten van het huidige gebouw, waar ooit het rondkoor was geweest. Het onderzoek werd door de Rijksuniversiteit Groningen uitgevoerd. De bouwgeschiedenis werd ontrafeld en in 1987 gepubliceerd in het tijdschrift "Groninger Kerken", van de Stichting Oude Groninger Kerken en diverse boeken. Fundamenten van het hoogkoor werden gevonden. Gedurende de jaren 1995 - 1997 werd de kerk volledig gerestaureerd naar de huidige vorm. Tijdens deze restauratie werd er eveneens een bodemonderzoek verricht. Nu binnen de kerk en door leden van de Vakgroep Archeologie van de Rijksuniversiteit Groningen, de Vakgroep Archeologie en Vakgroep Geschiedenis. Hieruit is veel duidelijk geworden. Zo kon er een schematische plattegrond gemaakt worden waarop de ontwikkeling van de kerk te zien is. Deze plattegrond is ook in en bij de kerk te bekijken. Ten oosten van de kerk is in het plantsoen met stenen aangegeven waar en hoe het vroegere hoogkoor heeft gestaan. De kerktoren kende in beginsel een Romaanse kap en werd later hoger opgetrokken en kreeg een prachtige naaldspits (de hoogste van de ommelanden, 236 voet). In 1816 is de torenspits teruggebracht tot een hoogte van 218 voet. In 1911 sloeg de bliksem in de toren en de spits brandde af. Pas na tien jaar kreeg de toren een platte afdekking. Bij de torenrestauratie van 1953 - 1957 werd, na afbraak van het bovenste muurwerk de huidige Romaanse kap met ruitschilden gereconstrueerd. Omstreeks 1941 is ook iets gedaan aan de toren die al jaren enorm scheef was gezakt. Om te voorkomen dat hij verder zou overhellen is een betonnen corset om de torenvoet gestort. De toren was toen ongeveer 38 meter hoog. Hij staat nog steeds scheef en is ook de scheefste van het land, maar zakt niet meer verder. Verder is er in 1999 zuiver gemeten hoe hoog de toren op dat moment was maar vooral ook hoe scheef de toren was. De toren is 35,704 m hoog en staat 2,61 meter uit het lood.

Interieur
De kerk bezit geen interieur van belang, behalve diverse grafzerken in de kerkvloer, waaronder die van Wigbolt van IJsselmuiden (overleden in 1598) en Teteka Jarghes (overleden in 1602).


Klik op een foto voor de diaserie



Bronnen
Monumenten in Nederland (ISBN: 90-400-9258-3)
http://www.hervormdbedum.nl

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Nieuws

Kerken alfabetisch

Tweets

by acls us